Thermisch comfort

Thermisch Binnenklimaat

Het thermisch binnenklimaat (temperatuur) op de werkplek heeft invloed op het comfort en de productiviteit van de werknemers. Thermische behaaglijkheid is het oordeel in hoeverre men het thermisch binnenklimaat comfortabel vindt. Bij een slecht thermisch binnenklimaat zijn er klachten als te koud, te warm, sterk wisselende temperaturen, tocht, asymmetrische koudestraling of warmtestraling, koude voeten, te warme voeten, te grote temperatuurgradiënt (temperatuurverschil) tussen hoofd en voeten. De productiviteit van mensen kan dan meer dan 10% lager zijn ten opzichte van een acceptabel binnenklimaat. (bron: Boerstra A.C, Leijten J.L., Binnenmilieu en productiviteit: eindelijk harde cijfers, Verwarming & Ventilatie pp. 393-397, juni 2003).

De luchttemperatuur, stralingstemperatuur, luchtsnelheid en luchtvochtigheid bepalen het thermisch binnenklimaat. Samen met het activiteitenniveau en de kledingisolatie beïnvloeden zij de thermische behaaglijkheid. Te onderscheiden zijn algemene thermische behaaglijkheid en lokale thermische behaaglijkheid.

Beoordeling van de algemene thermische behaaglijkheid speelt met name voor de zomersituatie.

Lokale of plaatselijke thermische (on)behaaglijkheid treedt op als slechts een deel van het lichaam te sterk afkoelt of opwarmt. Koude voeten bij een lage vloertemperatuur of te veel warmtestraling door stralingspanelen zijn daarvan voorbeelden. Lokale thermische (on)behaaglijkheid speelt vooral in de winter.

Binnenmilieu-eisen

Het voldoen aan wettelijke minimumeisen biedt geen garantie voor een goed binnenmilieu. De wettelijke eisen zijn minimumeisen waaraan in elk geval moet worden voldaan. In dit hoofdstuk wordt een classificatie van binnenmilieueisen gegeven. Deze is ontleend aan het Arbo-informatieblad en is gebaseerd op de methodiek uit het Praktijkboek Gezonde Gebouwen (cahier R2), NEN-EN-ISO 7730:2005 en NEN-EN 15251:2007. Er geldt:

Klasse A = uitstekend

Klasse B = goed

Klasse C = basis

In ISSO publicatie 74 (2014) worden echter 4 kwaliteitsklassen gehanteerd. Zie bij paragraaf 1.2.2. Daar vormt in feite klasse D de “basis” (minimaal verwachtingspatroon), klasse C is wat standaard gehanteerd kan worden en wat “basis plus” genoemd kan worden klasse B (verhoogd verwachtingspatroon) is in feite “goed”, terwijl A gekenschetst kan worden als “uitstekend”

De eisen in dit hoofdstuk hebben verder betrekking op alle kantoorwerkplekken en daarmee overeenkomende situaties. Er wordt geen onderscheid gemaakt in cellenkantoren, kantoortuinen, vaste werkplekken, flexibele werkplekken zoals bij innovatieve kantoorconcepten, vergaderruimten en aanlandplekken die voor korte tijd gebruikt worden.

Operatieve temperatuur

De temperatuur in ruimten dient niet te hoog en niet te laag te zijn.

De grenswaarden voor de ruimtetemperaturen worden uitgedrukt in operatieve temperatuur, die is samengesteld uit de lucht- en gemiddelde stralingstemperatuur. Deze waarde is een maat voor het gecombineerde effect op de thermische behaaglijkheid. Grenswaarden voor de operatieve temperatuur staan in Tabel 27.

Hinderlijke verschillen tussen de thermische condities in het gebouw moeten worden voorkomen, zodat voor alle gebruikers een gelijkwaardig en gelijkmatig comfort bestaat.

Indien tussen naastliggende ruimten verschillende ontwerptemperaturen worden gehanteerd, kan dit tot thermische comfortklachten leiden. Deze situatie is een aandachtspunt in het ontwerp.

Richtwaarden thermische behaaglijkheid in de kantoorsituatie (statische situatie conform Fanger):

Kwaliteitsniveau

basis

(klasse C)

goed

(klasse B)

uitstekend

(klasse A)

activiteit: voornamelijk zitten (1,2 met)

operatieve

temperatuur

winter (1,0 clo)

19-25° C

20-24° C 1)

20-24° C + IB 2)

zomer (0,5 clo)

22-27° C

23-26° C 1)

23-26° C + IB 2)

Tabel 27 : Grenswaarden ruimtetemperatuur zomer en winter, voor kantoor / vergaderruimte.

1) Naregeling per vertrek

2) IB = mogelijkheid voor individuele beïnvloeding van de temperatuur.

Binnen deze grenzen, afgeleid van een -0,5 < PMV < 0,5, is globaal 90% van de gebouwgebruikers tevreden met het thermisch binnenklimaat (PPD = 10). Zie 6.2.2.

PMV = predicted mean vote volgens Fanger; PPD = predicted percentage of dissatisfied.

Bepalingsmethode:

NEN-EN-ISO 7730:2005 “Klimaatomstandigheden - Analytische bepaling en interpretatie van thermische behaaglijkheid door berekeningen van de PMV en PPD-waarden en lokale thermische behaaglijkheid”.

Opmerkingen:

Deze richtwaarden kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt voor de beoordeling van temperatuursimulatieberekeningen, waarbij de temperatuur jaarlijks maar een bepaald aantal uren buiten het aangegeven gebied mag liggen, of bij een eerste beoordeling van een praktijkgeval. Voor het stellen van eisen in een p.v.e. wordt aanbevolen de hierna gegeven temperatuurgrenzen te gebruiken. Deze zijn vastgelegd in ISSO 74 “Thermische behaaglijkheid” (2014).

Beoordeling binnentemperatuur volgens ISSO 74 (2014)

Door een goed samenspel van gebouw, gebouwinstallaties, regelingen en het te verwachten gebruik van het gebouw moet tijdens de gebruiksuren een acceptabel/goed binnenklimaat worden gerealiseerd.

Aan de in ISSO publicatie 74 “Thermische Behaaglijkheid” (2014) gegeven eisen liggen met name de Adaptieve Temperatuur Grenswaarden ten grondslag. Daarbij wordt rekening gehouden met de adaptatie van de gebouwgebruikers aan wisselingen in buiten- en binnenklimaat. De kwaliteitsklassen zijn ingedeeld op basis van het “voorspelde percentage ontevredenen”. In afwijking van de eisen in de overige paragrafen van dit handboek zijn er voor het thermisch binnenklimaat 4 kwaliteitsklassen gedefinieerd ( Tabel 28).

Prestatieniveaus:

???

Tabel 28: Klasse-indeling kwaliteit binnenklimaat, afhankelijk van het percentage ontevredenen.

Als ontevredenen geldt het percentage personen dat anders scoort dan -1, 0 of +1 op de bekende, door vrijwel alle onderzoekers gehanteerde 7-puntschaal, zoals die ook is gegeven in ISSO 74.

+3 Heet

+2 Warm

+1 Enigszins warm

0 Neutraal

-1 Enigszins koel

-2 Koel

-3 Koud

Fanger heeft op basis van experimenten met proefpersonen een verband afgeleid tussen activiteitsniveau van de mensen, de gedragen kleding, de klimaatomstandigheden en de “Predicted Mean Vote (PMV)”. Bij eenzelfde binnenklimaat “stemmen” mensen niet op dezelfde waarde uit de tabel. Door persoonlijke kenmerken is er een grote spreiding. Daarom is (zo mogelijk) individuele naregeling van het binnenklimaat aan te bevelen.

Fanger heeft ook een verband afgeleid tussen de PMV en het “Predicted Percentage of Dissatisfied (PPD)”, zie Figuur 13.

???

Figuur 13: Het voorspelde percentage ontevredenen (PPD) als functie van de PMV (fig. 2.2 ISSO 74)

Duidelijk is te zien dat bij een PMV = 1,0 het percentage ontevredenen al bedraagt PPD = 27%. Dat komt door de spreiding in de “Personal Vote”. Een flink aantal mensen beoordeelt het klimaat al als “warm” i.p.v. “” enigszins warm”. De kwalificatie die bij een personal vote van +2 hoort.

Uit de figuur is ook te zien, dat als het streven is om 90% van de aanwezigen tevreden te stellen (PPD = 10%) het binnenklimaat moet zorgen voor - 0,5 < PMV < + 0,5.

Bepalingsmethode:

ISSO 74: “Thermische behaaglijkheid” (2014)

ISSO 32: “Uitgangspunten temperatuursimulatieberekeningen” (2010)

Aanvulling(en):

en grenzen afhankelijk van gebouw, installatie en gebruik

Voor de verschillende klassen gelden binnentemperatuurgrenzen (operatieve temperatuur) die afhankelijk zijn van de “running mean outdoor temperature”, rm in °C. Daarbij wordt er verschil gemaakt tussen “gebouwen met te openen ramen en geen actieve koeling” (-grenzen) en “gebouwen met volledige airconditioning” (-grenzen). Wat onder deze twee “gebouwtypen” moet worden verstaan is afhankelijk van een aantal zaken: activiteitenniveau, eventueel kledingvoorschrift, aanwezigheid van te openen ramen, aanwezigheid van actieve koeling, enz. zie Figuur 14.

???

Figuur 14: Stroomschema ter bepaling van de te hanteren temperatuurgrenzen ( of ). De verwijzingen in de figuur slaan op de betreffende figuren c.q. paragrafen in ISSO 74.

In Figuur 15 wordt een samenvatting gegeven van de bij de verschillende kwaliteitsklassen en “gebouwtypen” ( of ) te hanteren temperatuurgrenzen.

???

Figuur 15: Eisen (grenzen) voor de operatieve temperatuur binnen, in relatie tot de running mean outdoor temperature (zie ISSO 74), met aanvullend een weersafhankelijke setpointindicatie.

De klasse A-grenzen zijn niet apart aangegeven in deze afbeelding omdat ze gelijk zijn aan de grenzen van klasse B. Bij klasse A geldt als aanvullende eis dat er een mogelijkheid is tot persoonlijke beïnvloeding van het binnenklimaat (regeling).

Om onevenredig grote installaties en onnodig energiegebruik te voorkomen is het verstandig om tijdens en vlak na (één tot twee dagen) een hittegolf gedurende een paar uur per dag een overschrijding van de -bovengrenzen (horizontale lijnen rechts in de grafiek) toe te laten. Een hittegolf wordt hier gedefinieerd als meerdere dagen met een running mean outdoor temperature van meer dan 22 °C.

In het programma van eisen moet dit punt, als men hiervan wil uitgaan, expliciet worden opgenomen. Primair gelden de temperatuurgrenzen zoals die in de figuur zijn gegeven.

Enkele aandachtspunten bij de thermische behaaglijkheidsberekeningen:

Behaaglijkheidsberekeningen dienen te worden uitgevoerd conform de uitgangspunten van ISSO 74 en ISSO 32. Berekeningen dienen te zijn uitgevoerd met een dynamisch temperatuursimulatieprogramma dat voldoet aan de keurmerkeisen van ISSO.

Indien een kantoor gebouw/klimaattype α heeft, dan dient:

elk representatief gevelelement ter breedte van een 2-persoonsvertrek (vaak “kantoor-moduulmaat” 3,6 m) ten minste een regelbaar te openen deel (raam, klep, rooster, of gelijkwaar-dig) te bevatten waarvan de opening op meerdere fixeerstanden (incl. kierstand) of traploos in-stelbaar is;

de effectieve doorlaat van deze opening minimaal 0,5 m2 te zijn per moduul. In verband met eventuele aanpassing van vertrekken (verplaatsen van wanden) is het zinvol om per travee (vaak 1,8 m) een te openen deel aan te brengen. De effectieve doorlaat Aeff dient te worden bepaald conform par. 5.4.3 van NEN 1087. Hierbij wordt Aeff bepaalt uit de netto doorlaat van de opening: Aeff = Anetto x J(ψ); ISSO 74 houdt verder een minimale netto doorlaat aan van Aeff = 0,15 m2.

meer dan 90% van de gebruikers geen "dress code" te hebben en zodoende de mogelijkheid hun kleding af te stemmen op het weer en op het binnenklimaat (clo-waarde tussen 0,5 en 1,0)

de temperatuur individueel regelbaar te zijn tussen 20 à 24°C (winter) en bij actieve koeling tussen 23°C à Tatg (zomer).

Indien een kantoor gebouw/klimaattype β heeft, dan:

dienen compenserende maatregelen te worden getroffen voor een betere waardering van het binnenklimaat door gebruikers:

Als eis voor de regelbaarheid van de temperatuur geldt + 2°C per vertrek, met een reactietijd van minimaal 1°C per half uur.

Deze eis geldt voor 90% van de werktijd.

Ook is de regelbaarheid van de zontoetreding (door van binnenuit bedienbare zonwerende voorzieningen aan de buitenzijde) een vereiste. Met zonwerend glas kan niet altijd voldoende zonwering bereikt worden. Daarnaast blijft sowieso (aan de binnenzijde) een lichtwering nodg.

wordt een zwaardere klasse voor de kwaliteit van de binnenlucht vereist (zie hoofdstuk “luchtkwaliteit”).

Dient actieve koeling minimaal in staat te zijn de warmtetoevoer van ventilatielucht te compenseren met de volgende parameters:

> 45 m3/h per persoon,

Te,max = 35°C en

Tinblaas < 25°C:

85 W per persoon (voelbare warmte).

Verder geldt:

Berekeningen dienen te zijn gebaseerd op uurlijkse gemiddelde waarden van het buitenklimaat van het referentieklimaatjaar uit NEN 5060 met 5% overschrijdingskans. Voor gebouwen waar toe-komstbestendigheid voor strengere klimaateisen een belangrijk issue is, kan in afwijking hiervan bijvoorbeeld het referentieklimaatjaar uit NEN 5060 met 1% of 2% overschrijdingskans worden overwogen. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze klimaatjaren onderling verschillen qua luchttemperatuur en zonbelasting. De keuze van het klimaatjaar met 1% overschrijdingskans leidt daardoor niet per definitie tot een beter thermisch binnenklimaat als het klimaatjaar met 2% overschrijdingskans.

Om oververhitting ten gevolge van de luchtverversing door luchtbehandeling in warme zomers te voorkomen, dient tot een buitenluchttemperatuur van 35°C de inblaasluchttemperatuur niet hoger te worden dan 25°C.

Voor de beglazing moeten betrouwbare gegevens gehanteerd worden die de werkelijkheid zoveel mogelijk benaderen (geen schatting, maar bijv. door de leverancier gespecificeerde waarden, gebaseerd op metingen of berekeningen). Zonwerende eigenschappen van voorzieningen die niet bij de oplevering aanwezig zijn, mogen niet worden meegenomen in de ATG-beoordeling.

Voor materiaalgegevens zoals warmtegeleidingscoëfficiënten, warmtecapaciteit, dichtheid en absorptie van zonne-energie dient te worden uitgegaan van genormeerde of algemeen geaccepteerde waarden (NEN 1068, ISSO 21, SBR 9).

In de “0-stand” voor naregeling (dus zónder naregeling) moet aan de klimaateisen kunnen worden voldaan.

Een gebruiksduur van 8 uur (van 8.00-12.00 uur en van 13.00-17.00 uur) als er geen andere gegevens bekend zijn. Anders rekenen met de reële gebruikstijd, ook al i.v.m. de toekomstbestendigheid van hetgebouw..

Er mag worden afgeweken van de interne warmtelasten conform ISSO 32 mits dit goed is onderbouwd (bijvoorbeeld een lager verlichtingsvermogen dan 11,5 W/m2).

Opmerking

Thermische behaaglijkheid is een relatief complexe materie. Hier zijn alleen de eisen weergegeven met een zeer beknopte toelichting. Voor verdere definities, berekening van rm, enz. zie ISSO 74.

Individuele temperatuurregeling

Prestatieniveaus:

Klasse aanduiding voor het kwaliteitsniveau van de individuele temperatuurregeling per werkplek of vertrek en reactietijd van de instelling/verstelling

Klasse

kwaliteitsniveau

individuele temperatuurregeling per werkplek of vertrek en reactietijd van de instelling/verstelling

A

Uitstekend

+ 2,0°C regeling per werkplek met een reactietijd van minimaal 1°C per half uur

B

Goed

Geen individuele regeling per werkplek, maar regeling (+ 2,0°C) per vertrek met maximaal 6 werkplekken, met een reactietijd van minimaal 1°C per half uur

C

Basis

Geen regeling die voldoet aan de voorwaarden bij klasse A of B

Tabel 29: Klasse indeling individuele temperatuurregeling en reactietijd.

Bepalingsmethode:

Meting conform NEN-EN-ISO 7726/7730

Toelichting

Gebouwgebruikers waarderen het binnenklimaat beter als zij daar zelf invloed op kunnen uitoefenen. Een te openen raam of vergelijkbare voorziening is één van de mogelijkheden om deze invloed te realiseren, maar ook het individueel kunnen (bij)regelen van de luchttemperatuur in het vertrek verbetert de waardering. Voorwaarde is wel dat de reactietijd beperkt dient te zijn.

Temperatuurgradiënt

Voor kantooractiviteiten in de leefzone van een verblijfsruimte, bepaald conform NEN 1087, moet onder ontwerpcondities gedurende de gebruikstijd in zowel winter- als zomerperiode het temperatuurverschil tussen enkels en hoofd beperkt blijven.

De meetpunten liggen voor:

zittende personen op 0,1 en 1,1 m boven de vloer en

staande personen op 0,1 en 1,7 m boven de vloer.

Prestatieniveaus

kwaliteitsniveau

basis

(klasse C)

goed

(klasse B)

uitstekend

(klasse C)

Verticale temperatuurgradiënt [°C]

< 4

< 3

< 2

Tabel 30: Grenswaarden verticaal verschil in luchttemperatuur tussen hoofd en enkels (resp. 1,1 en 0,1 m boven de vloer (bron NEN-EN-ISO 7730).

Bepalingsmethode:

Meting conform NEN-EN-ISO 7726/7730

Vloertemperatuur

Voor kantooractiviteiten in de leefzone (verblijfszone) van een verblijfsruimte, moet gedurende de gebruikstijd de vloertemperatuur binnen grenzen liggen: niet te hoog (te warme voeten) en niet te laag (koude voeten).

Bij vloerverwarmingssystemen en in zones waar men weinig vertoeft zijn oppervlaktetemperaturen tot 29°C toelaatbaar en eveneens in sanitaire ruimten en buiten de leefzone. De leefzone (waar personen kunnen zich bevinden) sluit een strook van 1,0 m uit langs de gevel.

Gedurende maximaal 50 uur per winter mag de oppervlaktetemperatuur beneden de 19°C liggen, waarbij de temperatuur van 19°C uiterlijk 3 uur na aanvang van de gebruikstijd moet worden bereikt.

Bij gerede twijfel of oppervlaktecondensatie optreedt, dienen berekeningen van oppervlaktetemperaturen van vloeren uitgevoerd te worden. Bij vloerverwarming worden oppervlaktetemperaturen conform ISSO 49 aangehouden. Indien noodzakelijk moet een berekening met een dynamisch rekenmodel worden uitgevoerd.

Prestatieniveaus:

kwaliteitsniveau

basis (klasse C)

goed (klasse B)

uitstekend (klasse A)

Vloertemperatuur [°C]

17 - 30

19 - 28

21 - 26

Tabel 31: Grenswaarden vloertemperatuur gebaseerd op ISSO 74 (2014), zie ook figuur 4.

Opgemerkt wordt dat het Rijksvastgoedbedrijf voor klasse B een maximale vloertemperatuur van 26°C hanteert, gelijk aan klasse A.

???

Figuur 16: Relatie vloertemperatuur en percentage ontevredenen volgens ISSO 74 (2014), met daarin ingetekend de drie kwaliteitsklassen.

Bepalingsmethode:

Meting conform NEN-EN-ISO 7726/7730

Stralingsasymmetrie

Voor kantooractiviteiten in de verblijfszone van een verblijfsruimte, dient bij de verschillende kwaliteitsklassen te worden voldaan aan de volgende condities:

De horizontale stralingsasymmetrie ten gevolge van ramen of andere koude verticale oppervlakken moet kleiner zijn dan de maximum grenswaarde (ten opzichte van een klein verticaal vlak, 0,6 m boven de vloer).

De verticale stralingsasymmetrie ten gevolge van een (ver)warm(d) plafond moet kleiner zijn dan de maximum grenswaarde (ten opzichte van een klein horizontaal vlak, 0,6 m boven de vloer).

In geval van klimaatsystemen, zoals plafondkoelsystemen, betonkernactivering (BKA), e.d., die functioneren door middel van warme plafonds, koude wanden (ook glasvlakken), koude plafonds en/of warme wanden, geldt als maximum grenswaarde de waarden genoemd in de volgende tabel. Deze waarde wordt gemeten ten opzichte van een klein verticaal (voor wanden) of horizontaal (voor plafonds/vloeren) vlak, 0,6 meter boven de vloer.

Prestatieniveaus:

kwaliteitsniveau

basis (klasse C)

goed (klasse B)

uitstekend (klasse A)

Warm plafond

< 8

< 6,5

< 5

Koude wand (glas)

< 14

< 12,5

< 11

Koud plafond

< 16

< 15

< 14

Warme wand

< 35

< 30

< 25

Tabel 32: Grenswaarden stralingstemperatuurasymmetrie, afgeleid uit ISSO 74 (2014).

Bepalingsmethode:

NEN-ISO 7726: “Ergonomie van de thermische omgeving - Instrumenten voor het meten van fysische grootheden”

Luchtsnelheid

Voor kantooractiviteiten in de verblijfszone van een verblijfsruimte en daarmee gelijk te stellen activiteiten, moet onder ontwerpcondities gedurende de gebruikstijd worden voldaan aan de volgende condities:

voor zowel de winter- als de zomerperiode moet de gemiddelde luchtsnelheid kleiner zijn dan de grenswaarde zoals die bepaald kan worden uit onderstaande grafieken (Figuur 5).

De Draught Rate (DR), een maat voor het “voorspelde percentage ontevreden gebruikers van de ruimte” wordt bepaald uit de (gemeten) turbulentiegraad (Tu) van de luchtsnelheid. De Tu geeft aan in hoeverre de momentane luchtsnelheid varieert rond de gemiddelde luchtsnelheid. De Tu en de luchttemperatuur bepalen samen de maximaal toelaatbare gemiddelde luchtsnelheid volgens de grafieken “Snelheidscriteria volgens NEN-EN-ISO 7730”, zoals die zijn overgenomen uit ISSO 74 (2014), zie Figuur 17.

???

Figuur 17: Toelaatbare gemiddelde luchtsnelheden als functie van luchttemperatuur en turbulentie-intensiteit bij drie kwaliteitsklassen (ISSO 74 tabel 2.11; gebaseerd op NEN-EN-ISO 7730)

Prestatieniveaus:

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

Maximaal toegestane DR-waarde

< 25%

< 20%

< 15%

Tabel 33: Classificatie hinderpercentage door tocht, uitgedrukt in Draught Rating (DR-waarde) overeenkomende met het percentage gehinderden

Voor het bepalen van de grenswaarde voor de toelaatbare luchtsnelheid uit de grafieken van Figuur 17 kan men wat betreft de turbulentie-intensiteit Tu uitgaan van de volgende waarden (ISSO 74): Clean rooms Tu < 10%; kantoorruimten met mechanische ventilatie Tu = 40 - 60%. Daarmee komt de toelaatbare luchtsnelheid voor de genoemde kantoorruimten bij 22 °C voor klasse B op ca. 0,15 m/s.

N.B. Bij geopende voorzieningen voor zomerventilatie t.b.v. warmteafvoer gelden deze eisen niet.

Bepalingsmethode:

NEN-EN-ISO 7730: “Klimaatomstandigheden - Analytische bepaling en interpretatie van thermische behaaglijkheid door berekeningen van de PMV en PPD-waarden en lokale thermische behaaglijkheid” (2005)

Luchtvochtigheid

In verblijfsruimten geldt een maximale relatieve vochtigheid (RV) om overmatige transpiratie tegen te gaan.

Acceptabel is wanneer dit in 90% van de kantoortijd gerealiseerd wordt.

Prestatieniveaus:

Relatieve luchtvochtigheid (RV):

In verblijfsruimten

geen ondergrens ofwel de relatieve vochtigheid volgt uit de absolute vochtigheid van de buitenlucht. Soms wordt als ondergrens nog r.v. ≥ 30% gehanteerd, maar die kan niet worden gemotiveerd vanuit door de gebouwgebruikers waargenomen behaaglijkheid.

In verblijfsruimten

≤ 70%

Tabel 34: Eisen aan de relatieve luchtvochtigheid.

Bepalingsmethode:

meten

Aanvulling(en):

Voor ruimten met apparatuur gelden specifieke eisen (fabrikant). Voor archieven gelden eveneens strengere eisen.

Overige eisen

Bouwbesluit

In het Bouwbesluit staan geen eisen die het thermisch comfort rechtstreeks aansturen.

Wel stelt het Bouwbesluit voor nieuwbouw minimumeisen aan de thermische isolatie van gevels, vloeren en daken. Conform artikel 5.3 van het Bouwbesluit geldt voor uitwendige scheidingsconstructies van een nieuw gebouw een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van tenminste 3,5 / 4,5 / 6,0 m²K/W voor respectievelijk de vloer / gevel / dak. De warmtedoorgangscoëfficiënt van ramen mag ten hoogste 2,2 W/m2K bedragen en gemiddeld maximaal 1,65 W/m2K. Dit komt neer op minimaal dubbelglas met coatings en gasvulling (HR++-glas). Ook vraagt het aandacht voor de thermische isolatie van de kozijnen. Bij verbouw stelt het Bouwbesluit een eis voor de thermische isolatie van minimaal 1,3 m2K/W, maar geen eisen ten aanzien van temperatuur, tocht of andere thermisch comfort aspecten. Bij het vervangen van isolatielagen is een warmteweerstand van minimaal 2.5 / 1,3 / 2,0 m2K/W vereist voor respectievelijk vloer / gevel / dak.

Artikel 3.49 van het Bouwbesluit stelt dat de toevoerluchtsnelheid van verse lucht in de leefzone niet meer dan 0,2 m/s mag zijn, bepaald volgens NEN 1087, om tochtoverlast tegen te gaan. Deze eis geldt alleen voor voorzieningen ten behoeve van de basisventilatie.

Arbowet

Artikel 3, lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) stelt dat de werkgever ernaar moet streven de arbeidsomstandigheden zo goed mogelijk te maken, tenzij dit redelijkerwijs niet haalbaar is. De Arbo-wet stelt geen specifieke eisen ten aanzien van het thermisch binnenklimaat op de werkplek.

ARBO-besluit

Artikel 6.1 van het Arbobesluit stelt minimumeisen aan het thermisch binnenklimaat op de werkplek:

„Rekening houdend met de aard van de werkzaamheden die door de werknemers worden verricht en de fysieke belasting die daar het gevolg van is, veroorzaakt de temperatuur op de arbeidsplaats geen schade aan de gezondheid van de werknemers. Normaliter doet zich deze situatie in de kantooromgeving niet voor.

Arboregelingen

Er is geen Arbobeleidsregel specifiek over thermisch binnenklimaat. Wel bevat arbobeleidsregel 6.1 diverse bepalingen aangaande hitte- en koudebelasting. Normaliter doet zich deze situatie in de kantoren niet voor.

Definities

Absolute luchtvochtigheid: Hoeveelheid waterdamp in een bepaalde hoeveelheid lucht, uitgedrukt in gram water per m3 lucht.

Buitentemperatuur (gewogen gemiddelde), de “running mean outdoor temperature (rm): wordt gebruikt bij het bepalen van de adaptieve temperatuurgrenzen. Langs de x-as staat rm deze waarde wordt bepaald uit het gemiddelde van het dagmaximum en dagminimum van de voorafgaande dagen, zie ISSO 74 (2014).

Draught Rating (DR-waarde): Het percentage ontevredenen, gehinderd door tocht, te bepalen volgens NEN-EN-ISO 7730. Voor de bepaling van de DR moet de turbulentie-intensiteit (Tu) van de luchtsnelheid worden gemeten. De Tu betreft de mate van schommeling van de ware luchtsnelheid rond de gemiddeld gemeten luchtsnelheid. De turbulentie-intensiteit en de temperatuur bepalen de toelaatbare gemiddelde luchtsnelheid.

Gebruikstijd: Periode dat het kantoorvertrek wordt gebruikt voor de functie waarvoor het is bedoeld.

Leefzone: (NEN 1087): Deel van het verblijfsgebied waarin wordt voldaan aan de gestelde ont-werpcriteria ten aanzien van comfort, dat zich bevindt binnen een hoogte vanaf de vloer tot 1,8 m hoogte, afstand vanuit de uitwendige scheidingsconstructie van 1,0 meter en afstand vanuit de inwendige scheidingsconstructie van 0,2 meter.

Metabolisme: Activiteitenniveau.

Relatieve luchtvochtigheid: De relatieve luchtvochtigheid geeft aan hoeveel procent waterdamp zich ten opzichte van de maximale hoeveelheid waterdamp in de lucht bevindt bij een bepaalde temperatuur en luchtdruk.

Stralingsasymmetrie (warmte): Het op één punt in een ruimte waargenomen verschil tussen ontvangen warmtestraling vanuit verschillende richtingen. Volgens NEN-ISO 7726 is de stralings-asymmetrie het verschil tussen de vlakstralingstemperatuur van twee tegenovergestelde zijden van een klein vlak. Wanneer iemand door koude- of warmtestraling aan één zijde veel sterker afkoelt of juist wordt verwarmd dan aan de andere, dan is sprake van stralings(temperatuur)asymmetrie.

Stralingstemperatuur (gemiddelde): De uniforme Oppervlaktetemperatuur van een denkbeeldige zwarte omhulling waarmee een gebouwgebruiker dezelfde hoeveelheid stralingswarmte zou uitwisselen als in de werkelijke niet-uniforme omgeving waarin die gebouwgebruiker zich bevindt. De gemiddelde stralingstemperatuur van een binnenruimte wordt in de praktijk vaak globaal vastgesteld door de gemiddelde waarde te bepalen van de (gewogen) oppervlaktetemperaturen van wanden, vloer en plafond.

Temperatuur (lucht): de temperatuur van de lucht in de ruimte. Dit is de temperatuur die een afgeschermde thermometer meet.

Temperatuur (operatieve) Toper: Waarde, samengesteld uit de lucht- en de gemiddelde stralings-temperatuur, die een maat is voor het gecombineerd effect op de thermische behaaglijkheid. Een meer wetenschappelijke definitie luidt: 'De uniforme Temperatuur van een denkbeeldige zwarte omhulling waarmee een gebouwgebruiker dezelfde hoeveelheid stralings- en convectiewarmte zou uitwisselen als in de werkelijke niet-uniforme omgeving waarin die gebouwgebruiker zich bevindt.

Temperatuur (oppervlakte): De temperatuur die heerst aan het oppervlak van een vast lichaam.

Temperatuur (vlakstraling): de uniforme temperatuur van een ruimte waarvoor de invallende straling op een zijde van een klein vlakje dezelfde is als in een niet uniforme omgeving. Het beschrijft de straling in één richting.

Thermische behaaglijkheid: Die toestand waarin de mens tevreden is over zijn thermische omgeving en geen voorkeur heeft voor een warmere of koudere omgeving. Het is het oordeel in hoeverre men het thermisch binnenklimaat comfortabel vindt.

Tocht: ongewenste afkoeling van een deel van het lichaam ten gevolge van een luchtstroming. Tocht is vooral voelbaar aan lichaamsdelen die niet door kleding zijn bedekt, bijvoorbeeld het hoofd, de enkels en de nek.

Relevante normen en documenten

AI 24: binnenmilieu.

Handboek Binnenmilieu van de RIVM.

ISSO 21: (1994) Berekening van het energiegebruik voor klimatisering en verlichting van kantoorgebouwen.

ISSO 32: (2010) Uitgangspunten temperatuursimulatieberekeningen.

ISSO 49: (2004) Kwaliteitseisen vloer- en wandverwarming en vloer- en wandkoeling.

ISSO 74: (2014) Thermische behaaglijkheid.

ISSO: Kleintje Binnenklimaat.

NEN 1068/A2: (2016) Thermische isolatie van gebouwen – Rekenmethoden.

NEN 1087: (2001) Ventilatie van gebouwen - Bepalingsmethoden voor nieuwbouw.

NEN 5060: (2008) Hygrothermische eigenschappen van gebouwen – Referentieklimaatgegevens.

NEN-EN-ISO 7730: (2005) Klimaatomstandigheden - Analytische bepaling en interpretatie van thermische behaaglijkheid door berekeningen van de PMV en PPD-waarden en lokale thermische behaaglijkheid.

NEN-ISO 7726: (2001) Ergonomie van de thermische omgeving - Instrumenten voor het meten van fysische grootheden.

NPR-CR 1752: (1999) Ventilatie van gebouwen - Ontwerpcriteria voor de binnenomstandigheden.

NEN-EN 15251: (2007) Binnenmilieu gerelateerde input parameters voor ontwerp en beoordeling van energieprestatie van gebouwen voor de kwaliteit van binnenlucht, het thermisch comfort, de verlichting en akoestiek (Engels)

Praktijkboek Gezonde Gebouwen (cahier R2).

SBR 9: Eigenschappen van bouw- en isolatiematerialen.