Duurzaamheid

Duurzame ontwikkeling

Duurzame ontwikkeling is de ontwikkeling die aansluit op de behoefte van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun behoefte te voorzien in gevaar te brengen.” - Gro Harlem Brundtland, 1987

Vertaald naar gebouwen is duurzame ontwikkeling:

Het elimineren van negatieve impact nu én in de toekomst, gedurende de gehele levenscyclus (realisatie, gebruik, renovatie, sloop/hergebruik) van het vastgoed op mens en milieu.

De prestaties aan duurzaamheid worden op gebouwniveau gesteld.

Voor het aspect duurzaamheid in het Handboek Bouwfysica wordt aangehaakt bij BREEAM-NL. Dit is een beoordelingsmethode van het Dutch Green Building Council om de duurzaamheidprestatie van gebouwen te bepalen. Voor de onderdelen energie en materiaalgebruik zijn voor zover mogelijk dezelfde criteria aangehouden als bij BREEAM, maar de prestatieniveaus kunnen afwijken en zijn opgenomen in Tabel 3, Tabel 4, Tabel 5 en Tabel 6. Voor de overige onderdelen, zoals daglicht en geluidisolatie, wordt de koppeling met BREEAM losgelaten, aangezien BREEAM zich richt op een milieuclassificatie, terwijl dit handboek zich richt op gezonde gebouwen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om een BREEAM-certificaat voor te schrijven.

Gebied – gebouw – gebruik

Een gebouw is onderdeel van zijn omgeving en dient dus ook in relatie met zijn omgeving bekeken te worden. Voor het aspect energie dient bijvoorbeeld niet alleen rekening gehouden te worden met bijdragen van de locatie zelf, maar ook met de directe omgeving. Zo is de toepassing van duurzame energietechnieken vaak efficiënter op een grotere schaal en kan de uitwisseling van energie tussen verschillende functies in een wijk een mogelijkheid zijn.

De prestatie op duurzaamheid is niet een momentopname bij de realisatie van het gebouw, maar is een levenscyclusbenadering van het gebouw. Al bij het ontwerp van het gebouw dient rekening gehouden te worden met het gebruik, het onderhoud en hergebruik of sloop.

Door het Rijksvastgoedbedrijf is in dit kader een methode ontwikkeld voor Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven (FCIB) van de klimaatinstallaties in een gebouw om een thermisch comfort te bereiken conform de ontwerp-condities bij een minimale verstoring van het bedrijfsproces en een verlaging van het energiegebruik (zie: http://www.rijksvastgoedbedrijf.nl/expertise-en-diensten/d/duurzaamheid/inhoud/optimaliseren-klimaatinstallaties-gebouwen-fcib).

Aanvulling(en):

Cradle to Cradle:

Duurzame ontwikkeling is in 1987 door de commissie-Brundtland gedefinieerd als de ontwikkeling waarbij de huidige generatie in haar noden voorziet, zonder de mogelijkheden daartoe voor de volgende generatie te beperken. Het streven van de cradle to cradle (C2C) visie gaat verder; het voorzien in onze eigen noden en ook de toekomstige generaties van meer mogelijkheden voorzien. Het belangrijkste principe hierbij is: probeer in plaats van minder slecht, goed te zijn.

C2C daagt ons uit producten en (productie-) systemen anders te ontwerpen om geen afval te laten ontstaan en kringlopen te sluiten. In ons vak gaat het om gebouwen die waarde toevoegen (schone lucht, gezondheid, locale economie), waarbij gebruik wordt gemaakt van natuurlijke energie en duurzame materialen die multifunctioneel gebruikt kunnen worden, omdat rekening is gehouden met de diversiteit van (toekomstige) gebruikers.

C2C maakt gebruik van drie basisprincipes die aan het begin staan van elk project:

Afval is voedsel: alles is een grondstof voor iets anders.

Gebruik zonne-energie: energie is hernieuwbaar en afgeleid van de zon.

Diversiteit: culturele, innovatieve en biologische diversiteit.

De bedenkers van het cradle to cradle-concept beseffen dat een volledig gebouw volgens de cradle to cradle-beginselen nog niet mogelijk is. We kunnen echter wel met de principes aan de slag. Concrete toepassingen van de principes zijn onder te verdelen in drie sporen:

Productieprocessen en producten, waarbij producten aan drie vereisten moeten voldoen:

De materialen zijn volkomen veilig voor mens, dier en plant.

De materialen moeten met kwaliteitsbehoud later (in de afvalfase) opnieuw gebruikt kunnen worden in de ecologische kringloop of in de technische kringloop.

De producten moeten gemakkelijk te ontmantelen zijn (‘design for disassembly’).

Bouwprocessen, gebouwen en de gebouwde omgeving. In de architectuur en stedenbouw wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij ontwerpuitgangspunten zoals we die in natuurlijke ecosystemen aantreffen. Gebouwen worden ontworpen met aandacht voor de gezondheid van de mensen die erin werken en wonen, met respect voor de omgeving. Vanaf het begin van het ontwerpproces wordt dus gekeken naar de meerwaarde die natuurlijke materialen, (energie)bronnen en ecosystemen kunnen hebben voor de vastgoedontwikkeling. Het bovenstaande betekent dat de bouwmaterialen ecologisch verantwoord en zoveel mogelijk herbruikbaar zijn. Het gebruik van water wordt afgestemd op de leefomgeving, zowel binnen als buiten het gebouw. Cradle to cradle-gebouwen geven zuurstof af en nemen CO2 op. Ze zuiveren water en lucht en genereren energie door opslag van zonne-energie en aardwarmte.

Gebiedsontwikkeling, waarbij de cradle to cradle-beginselen zorgen voor het verbinden van:

De bouwkundige elementen met het gebied.

Stromen / netwerken in het gebied (water, lucht, voedsel, energie) met de functies in het gebied.

De gebruikers en de bewoners met de stromen / netwerken en de functie door samenwerking en samenhang.

Energie

Energiezuinigheid van gebouwen is van belang voor het milieu en voor de exploitatiekosten van het gebouw.

Bij het energetisch ontwerpen van gebouwen wordt vaak uitgegaan van de Trias Energetica, een begrip waarmee de volgorde van drie stappen naar een zo duurzaam mogelijke energievoorziening wordt aangeduid. De drie opeenvolgende stappen zijn:

Beperk de vraag naar energie door toepassen van vraagbeperkende maatregelen.

Gebruik zoveel mogelijk duurzame energiebronnen om de energie die nog nodig is op te wekken. Voor voorbeelden van duurzame energiebronnen zie paragraaf 2.2.2.

Gebruik eindige energiebronnen efficiënt (hoog rendement).

trias energetica

Figuur 7 : Trias Energetica.

Met behulp van dit drie-stappen-plan kan duidelijk gemaakt worden dat besparing de eerste noodzakelijke stap is bij milieubescherming. Fossiele brandstoffen worden zeldzamer en dus duurder en schone energie is ook kostbaar. Besparen is hoe dan ook noodzaak. Bijvoorbeeld: koopt men nu spaarlampen dan kunnen die in een later stadium ook op duurzame energie branden. Het zijn dus opeenvolgende stappen en geen keuze tussen drie methoden.

Uit de Figuur 7 blijkt ook dat hoe groter de besparing is bij stap 1 (blauw vlak wordt groter) en hoe meer inzet van duurzame bronnen (groter groen vlak bij stap 2), des te geringer de vraag naar fossiele brandstoffen (kleiner oranje vlak bij stap 3). In de praktijk worden de stappen begrensd door de financiële consequenties. Op enig moment zal het financieel aantrekkelijker zijn om duurzame energiebronnen in te zetten in plaats van verdergaande vraag-reductie. Hierbij wordt opgemerkt dat ook duurzame bronnen zo efficiënt mogelijk dienen te worden ingezet. Dit vanuit het oogpunt van financiën, ruimtelijke of technische aard of het gebruik van grondstoffen.

Voor energieneutrale gebouwen krijgt de Trias Energetica een wat andere betekenis. De derde stap vervalt immers. RVO heeft hiertoe een informatieblad uitgegeven: http://www.rvo.nl/sites/default/files/Infoblad Trias Energetica en energieneutraal bouwen-juni 2013.pdf.

Aanvulling(en):

De schilfactor zou een goede indicator voor de energiebehoefte voor verwarmen en koelen van een gebouw kunnen zijn. De schilfactor voor utiliteitsgebouwen wordt voor het eerst ter informatie opgenomen in NEN 5128 : “Energieprestatie van woonfuncties en woongebouwen - Bepalingsmethode“. Deze norm is inmiddels vervangen voor de NEN 7120. Op dit moment is er onvoldoende kennis beschikbaar om een getalswaarde aan de schilfactor toe te kennen.

De Trias Energetica richt zich op het energiegebruik. De energiebehoefte van een gebouw is in drie hoofdcategorieën te verdelen:

Gebouwgebonden energiegebruik.

Gebruikersgebonden energiegebruik

Materiaalgebonden energiegebruik.

Theoretisch gezien is een berekening van de totale energievraag over de gehele levenscyclus van een gebouw het meest compleet. Dan wordt ook het materiaalgebonden energiegebruik (inclusief materialen, realisatie en sloop van een gebouw) meegenomen in de berekeningen. De berekening hiervan kent echter grote onzekerheden en er ontbreekt een algemeen geaccepteerde methodiek voor de bepaling van de hoeveelheid energie die hiermee gemoeid gaat. Omdat gebouwen steeds energie-efficiënter worden zal in de toekomst het aandeel van het materiaalgebonden energiegebruik steeds belangrijker worden.

In Nederland wordt de energievraag voorlopig nog gebaseerd op alleen het gebouwgebonden én het gebruikersgebonden energiegebruik [Bron: RVO]. Het verdient de voorkeur hierbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij het werkelijke gebruik.

Beperk de vraag naar energie

Beperking van de energievraag vindt haar neerslag in de prestaties ten aanzien van:

Thermische isolatie van niet transparante geveldelen.

Thermische isolatie en zonnewinst van transparante geveldelen.

Luchtdoorlatendheid.

Vermijden van thermische bruggen (koudebruggen).

Effectieve ventilatie in combinatie met warmteterugwinning.

De eerste vier bullits worden beschreven in het hoofdstuk ‘Gebouwschil en constructie’. De laatste bullit wordt beschreven in het hoofdstuk ‘binnenluchtkwaliteit’.

Gebruik duurzame energiebronnen

Door toepassing van duurzame energietechnieken wordt de CO2-uitstoot van het gebouw gereduceerd ten opzichte van de situatie zonder duurzame energieopwekking (= nulsituatie).

Onder duurzame energietechnieken wordt verstaan:

Bio-energie:

Biomassaboilers/-verwarmingssystemen.

Warmtekrachtkoppeling op biomassa of biogas.

Geothermische energie:

Systeem met warmte- en koudeopslag.

Aardwarmte.

Zonne-energie:

(Thermische) Zonnecollector ten behoeve van ruimteverwarming en/of warm tapwater.

Fotovoltaïsche cellen voor stroomopwekking.

Windenergie:

Windturbine.

Energie uit water:

Waterkracht.

Getijde-energie.

Golfenergie.

Osmotische energie.

In onderstaande tabel wordt een analyse gegeven van de maximaal mogelijke besparing uit verschillende duurzame bronnen (Bron: inventarisatie Technisch Weekblad, 2011). Met deze (optimistische) cijfers wordt een totaal gedekt van 4000 PJ, hetgeen gelijk is aan het huidige verbruik van Nederland (incl. internationaal transport).

Besparingspotentieel (2011)

m2/pers

W/pers

MW

GWh/jr

PJ/jr

wind-land

3,5

W/m2 windpark

251

880

14.782

129.493

466

zon-pv

26,0

W/m2 paneel

40

1042

17.500

153.300

552

water-getij

1,3

W/m2 zee

114

148

2.490

21.810

79

zon-ww

55,0

W/m2 collector

30

1650

27.720

242.827

874

water-rivieren

 

5

77

675

2

zoet/zout water

 

46

770

6.745

24

biogas-afval/mest/RWZ

 

375

6.300

55.188

199

water-golven

 

8

140

1.226

4

biogas- gewas

0,9

W/m2 maisland

344

305

5.131

44.949

162

biobrandstof

0,5

W/m2 bietenland

344

164

2.749

24.080

87

biomassa-hout

0,7

W/m2 bos

344

417

6.999

61.313

221

aardwarmte

1,3

W/m2 land

200

250

4.200

36.792

132

wind-zee

6,9

W/m2 windpark

340

2338

39.270

344.005

1238

Tabel 3: Besparingspotentieel door duurzame opwekking.

Voor de CO2-uitstoot van het gebouw in de nulsituatie kunnen de overeenkomstige uitkomsten van de energieprestatie berekening worden gebruikt.

Prestatieniveaus:

In het Bouwbesluit zijn vooralsnog geen eisen opgenomen met betrekking tot het gebruik van duurzame energie. Volgens de toekomstige BENG eisen (vermoedelijke inwerkingtreding 1 januari 2019 voor Rijksgebouwen en 2020 algemeen) moet het aandeel hernieuwbare energie 50% bedragen. Gezien de sterke ontwikkelingen op dit gebied is dit reëel en als basis opgenomen in dit handboek.

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

Aandeel hernieuwbare energie

Niveau derde BENG-eis (= 50 % van het gebouwgebonden energiegebruik)

100 % van het gebouwgebonden energiegebruik

100 % van het gebouwgebonden en gebruikersgebonden energiegebruik

Tabel 4 : Prestatieniveaus duurzame energie.

Bepalingsmethode:

CO2-uitstoot bepaling volgens NEN 7120 (NEN 7120+C2:2012/C5:2014 nl): “Energieprestatie van gebouwen - Bepalingsmethode” . Voor de definitie van hernieuwbare energie kan worden uitgegaan van het “Protocol monitoring hernieuwbare energie - update 2010” van Agentschap NL (nu RVO) (Publicatienummer 2DENB1013).

Energieprestatie

Een te bouwen bouwwerk is voldoende energiezuinig en heeft een zo laag mogelijke CO2-emissie van het gebouwgebonden primaire energiegebruik in de gebruiksfase.

De bepaling van de energieprestatie gebeurt volgens NEN 7120 (NEN 7120+C2:2012/C5:2014 nl): “Energieprestatie van gebouwen - Bepalingsmethode”. Dit betreft een integrale beoordeling van de energiezuinigheid van de bouwkundige onderdelen van een gebouw en de tot het gebouw behorende installaties. Door het stellen van een integrale eis aan de EPC van een gebouw, wordt aan het ontwerpteam de mogelijkheid gegeven met optimale inzet van middelen de beoogde energiezuinigheid van bouwkundige en installatietechnische componenten van een gebouw te realiseren.

Soms is het efficiënter om binnen een gebied energie te besparen in plaats van voor elk gebouw apart. Met de EMG kan de invloed van zo'n collectieve actie worden verrekend in de energieprestatie van de aangesloten gebouwen. De EMG wordt berekend volgens NEN 7125 ‘Energieprestatienorm voor Maatregelen op Gebiedsniveau (EMG)”.

Prestatieniveaus:

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

Energieprestatie

Niveau Bouwbesluit

EPG = 0.

EPG << 0.

Energiebehoefte

Niveau eerste BENG-eis (= 50 kWh/m2 per jaar)

Minimaal 25% beter (=37.5 kWh/m2 per jaar)

Minimaal 50% beter (=25 kWh/m2 per jaar)

Primair fossiel energiegebruik

Niveau tweede BENG-eis (= 25 kWh/m2 per jaar)

Minimaal 25% beter (=18.75 kWh/m2 per jaar)

Minimaal 50% beter (=12.5 kWh/m2 per jaar)

Tabel 5 : Prestatieniveaus voor de energieprestatiecoëfficiënt en de eerste en tweede BENG-eisen.

Theoretisch gezien is een berekening van de totale energievraag over de gehele levenscyclus van een gebouw het meest compleet. Dan wordt ook het materiaalgebonden energiegebruik (inclusief materialen, realisatie en sloop van een gebouw) meegenomen in de berekeningen. De berekening hiervan kent echter grote onzekerheden en er ontbreekt een algemeen geaccepteerde methodiek voor de bepaling van de hoeveelheid energie die hiermee gemoeid gaat. Omdat gebouwen steeds energie-efficiënter worden zal in de toekomst het aandeel van het materiaalgebonden energiegebruik steeds belangrijker worden.

In Nederland wordt de energievraag voorlopig nog gebaseerd op alleen het gebouwgebonden én het gebruikersgebonden energiegebruik [Bron: Agentschap NL]. Het verdient de voorkeur hierbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij het werkelijke gebruik.

Bepalingsmethode(n):

NEN 7120: “Energieprestatie van gebouwen”.

Aanvulling(en):

Indien gebruik gemaakt wordt van energiebesparende maatregelen op gebiedsniveau (EMG), dan is de waarde van de zonder deze maatregelen bepaalde energieprestatiecoëfficiënt ten hoogste 1,33 maal de vigerende Bouwbesluit eis.

De energieprestatie eis van een gebouw met meerdere gebruiksfuncties wordt bepaald op basis van de EPC-eisen van de in het combinatiegebouw voorkomende gebruiksfuncties. Hierbij mag het conform NEN 7120 bepaalde quotiënt van het berekende karakteristieke energiegebruik (Ep;tot) en het berekende toelaatbare energiegebruik (Ep;adm;tot) ten hoogste 1.0 bedragen.

Materiaalgebruik

Schaduwprijs

Het stimuleren van het gebruik van materialen met een lage milieu-impact gedurende de volledige levenscyclus van het gebouw.

Voor de beoordeling van de milieubelasting van de gebruikte materialen wordt gebruikgemaakt van de meest recente versie van:

Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken (thans: versie 2.0, november 2014 [1]), die is aangepast op de Europese norm EN 15804 en de

Nationale Milieudatabase (thans versie 1.7, www.milieudatabase.nl).

Het resultaat van een doorrekening met de bepalingsmethode is een milieuprofiel dat uit de onderstaande 9 effecten bestaat:

(1) Uitputting

(2) Broeikaseffect

(3) Ozonlaagaantasting

(4) Smog

(5) Humane toxiciteit

(6) Ecotoxiciteit, water

(7) Ecotoxiciteit, terristisch

(8) Verzuring

(9) Vermesting

Vanaf 1 januari 2013 moet conform het Bouwbesluit 2012 bij elke omgevingsvergunningsaanvraag voor nieuwbouwwoningen en kantoren (> 100 m2), een milieuprestatieberekening materialen bijgevoegd worden. De berekening moet voldoen aan de SBK-Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken (incl. de Nationale Milieudatabase). Het Bouwbesluit stelt nog geen grenswaarde aan de milieuprestatie.

Ten behoeve van de vergelijkbaarheid worden de milieueffectscores gedeeld door de brutovloeroppervlakte (BVO) van het gebouw. Daarna worden de effecten door middel van een gewogen sommering geaggregeerd tot één indicator. De weegfactoren en weegmethode (schaduwprijzen) zijn in de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken vastgelegd.

Voor de levensduur worden de standaard levensduur van 50 jaar voor utiliteitsgebouwen aangehouden. Indien de werkelijke levensduur aantoonbaar afwijkt kan met de werkelijke levensduur gerekend worden.

Tools

De toe te passen tools dienen te voldoen aan:

Handleiding milieuprestatie gebouwen & harmonisatie databases [4].

ISO 14025: “Environmental labels and declarations - Type III environmental declarations - Principles and procedures”.

ISO 14040: “Environmental Management -LCA- Principles & Framework”.

ISO 14044: “Environmental Management -LCA- Requirements and guidelines”.

ISO 21930: “Sustainability in building construction - Environmental declaration of building products”.

Voorbeelden van geschikte programma’s zijn onder andere GPR-gebouw, Greencalc+ en de DGBC-materialentool. Zie Tabel 6 voor prestatieniveaus met betrekking tot de schaduwprijs van de gebruikte bouwmaterialen.

Prestatieniveaus:

In het bouwbesluit zijn vooralsnog geen kwantitatieve eisen opgenomen met betrekking tot het gebruik van bouwmaterialen.

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

Schaduwprijs

Aanleveren berekening van de materiaalgebonden milieueffecten van het betreffende bouwwerk

Milieubelasting van de gebruikte materialen ten minste 30 % lager dan de referentiewaarde volgens Breeam-NL 1)

Milieubelasting van de gebruikte materialen ten minste 50 % lager dan referentiewaarde volgens Breeam-NL1)

Tabel 6 : Prestatieniveaus materiaalgebruik.

1) https://www.breeam.nl/hulp/nieuwbouw/materialen/17362/Mat 1 - Bouwmaterialen

Bepalingsmethode:

Berekening van het milieuprofiel met de ‘Handleiding Milieuprestatie Gebouwen’.

Op www.milieudatabase.nl is een lijst met gevalideerde programma’s opgenomen die gebruikt kunnen worden voor het bepalen van de milieuprestatie van gebouwen.

Aanvulling(en):

De huidige referentiewaarde voor nieuwbouwkantoren bedraagt van 0,9 euro/m2 conform BREEAM en op basis van de NMD 1.7. De schaduwprijs is het toelaatbare kostenniveau per eenheid emissiebestrijding. De methode heeft als voordeel dat het aansluit bij de huidige economische realiteit doordat het de externe kosten zichtbaar maakt. Tevens kan bij het hanteren van de schaduwprijsmethode transparantie worden geboden. Het ondersteunt integrale analyses om doorzichtige resultaten op te leveren waar overheden en bedrijfsleven hun eigen activiteiten en de relatie met milieuthema’s in kunnen herkennen.

Toepassen van lage emissie bouwmaterialen

Het bevorderen van een gezonde en goede kwaliteit van de binnenlucht doordat de gebruikte bouw- en afwerkingmaterialen een lage emissie van schadelijke, 'vluchtige organische verbindingen' en andere schadelijke stoffen veroorzaken.

De emissie van 'vluchtige organische verbindingen' uit de binnen het gebouw toegepaste 'bouw- en afwerkingsmaterialen' voldoet aan de volgende vereisten:

Spaanplaat, MDF, vezelplaat, houtwolplaat, triplex, multiplex, hardboard, massiefhoutplaten en geluidsisolerend board voldoen aan de emissienormen van categorie E1 uit NEN-EN 13986, waarbij de emissieconcentratie is bepaald volgens EN 717-1 of, als alternatief hiervoor, een algemeen erkend gezondsheidslabel kan worden overlegd.

Verlijmde houtdelen en -laminaten voldoen aan de emissienormen van categorie E1 uit NEN-EN 14080, waarbij de emissieconcentratie is bepaald volgens EN 717-1 of, als alternatief hiervoor, een algemeen erkend gezondsheidslabel kan worden overlegd,

Parketvloeren en verlijmde vloerdelen voldoen aan de emissienormen van categorie E1 uit NEN-EN 14342, waarbij de emissieconcentratie is bepaald volgens EN 717-1 of, als alternatief hiervoor, een algemeen erkend gezondsheidslabel kan worden overlegd.

Veerkrachtige, stoffen (textiel) of gelamineerde vloerbedekkingen, zoals vinyl, linoleum, kurk, rubber, tapijten, vloerlaminaat, voldoen aan de emissienormen van categorie E1 uit NEN-EN 14041, waarbij de emissieconcentratie is bepaald volgens EN 717-1 of, als alternatief hiervoor, een algemeen erkend gezondsheidslabel kan worden overlegd.

Plafondtegels voldoen aan de emissienormen van categorie E1 uit NEN-EN 13964, waarbij de emissieconcentratie is bepaald volgens EN 717-1 of, als alternatief hiervoor, een algemeen erkend gezondsheidslabel kan worden overlegd.

Vloerlijmen en -kitten voldoen aan de emissienormen uit NEN-EN 13999, waarbij de emissieconcentratie is bepaald volgens NEN-EN 13999-2/4.

Verven, vernissen en lakken voldoen aan de emissienormen voor organische oplosmiddelen uit NEN-EN 13300, waarbij de emissieconcentratie is bepaald volgens ISO 11890-2.

Prestatieniveaus:

In het bouwbesluit zijn vooralsnog geen kwantitatieve eisen opgenomen met betrekking tot het toepassen van lage emissiebouwmaterialen.

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

Lage emissie

bouwmaterialen

Wel toegepast,

niet aantoonbaar

Toegepast en aantoonbaar (onderbouwd met certificaten) op 80% van de bouwmaterialen

Toegepast

en aantoonbaar (onderbouwd met certificaten) op 100% van de bouwmaterialen

Tabel 7 : Prestatieniveaus lage emissie van materialen.

Bepalingsmethode:

Overleggen van de betreffende certificaten.

Waterberging

Het waterbeleid van de overheid is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen.

Voor het realiseren van een nieuwbouwplan is het verplicht een zogenaamde watertoets procedure te volgen. Doel van de watertoets is het expliciet en op evenwichtige wijze meewegen van waterhuishoudkundige doelstellingen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding op wijkniveau.

In het kader van de watertoets dient de initiatiefnemer de waterbeheerder op de hoogte te stellen van de plannen. In overleg met de waterbeheerder worden dan uitgangspunten vastgelegd omtrent de waterhuishouding. In samenspraak met het waterschap wordt een voorontwerp gemaakt voor de waterhuishoudkundige voorzieningen. Dit voorontwerp wordt door het waterschap getoetst en voorzien van een water-advies. Uiteindelijk wordt het voorontwerp verantwoord in de waterparagraaf in de toelichting op het plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan). Bij elke watertoets is er sprake van maatwerk. Welke maatregelingen er getroffen dienen te worden zijn ondermeer afhankelijk van het beleid van het ter plaatse werkzame waterschap. Over het algemeen kan echter wel gesteld worden dat de situatie van het water door de ruimtelijke ingreep in ieder geval niet mag verslechteren. Kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren moeten zoveel mogelijk worden benut.

Onderwerp

Doel

Nadelen

Groene daken (vegetatiedaken, sedumdaken)

vasthouden en gedeeltelijk verdamping van hemelwater.

Nevendoel:

vergroening van stedelijk gebied

onderhoud (hoogte) en effectiviteit

Natte daken

vasthouden en berging van hemelwater. Afvoer middels infiltratie in de bodem (100% afkoppeling)

constructie eis (draagkracht), beperk toegang en gebruik van dak (installaties, raamwas-systeem) en onderhoud

Waterdoorlatende verharding

vasthouden van hemelwater. Afvoer middels infiltratie in de bodem (100% afkoppeling)

niet wenselijk bij slecht doorlatende deklaag + hoge grondwaterstand. Kans op wateroverlast

Waterbergende weg

(bv. ‘Aquaflow’)

vasthouden, berging en zuivering van hemelwater. Afvoer middels infiltratie in de bodem (100% afkoppeling)

niet wenselijk bij slecht doorlatende deklaag + hoge grondwaterstand. Kans op wateroverlast

Oppervlaktewater(1)

(bv. vijver of sloot)

vasthouden en berging van hemelwater. Afvoer middels infiltratie in de bodem (100% afkoppeling)

niet wenselijk bij beperkte ruimte voor het realiseren van oppervlakte water. Gaat ten koste van groen voor recreatie.

Bovengronds infiltreren (bv. Wadi(2) of infiltratievelden)

vasthouden van hemelwater. Afvoer middels infiltratie in de bodem (100% afkoppeling)

niet wenselijk bij slecht doorlatende deklaag + hoge grondwaterstand. Kans op wateroverlast

Ondergronds infiltreren (bv infiltratiekoffers of IT-riool(3))

vasthouden en berging van hemelwater. Afvoer middels infiltratie in de bodem (100% afkoppeling)

niet wenselijk bij slecht doorlatende deklaag + hoge grondwaterstand. Kans op wateroverlast

Meestromen hemelwater in het straatprofiel

maatregel die meer gericht is op schadereductiecapaciteit waarbij de straat wordt ingericht als afvoergoot

Wateroverlast verkeer bij extreme buien

Hergebruik van hemelwater

minder afvoer van schoon hemelwater naar RWZI en minder gebruik van drinkwater

Relatief hoge investering

Algemeen

Duidelijke communicatie naar plannenmakers en bewoners is noodzakelijk bij het 100% afkoppelen, omdat vervuiling van het water nu niet meer gezuiverd wordt bij RWZI, maar bij infiltratie terechtkomt in de bodem. Vervuiling zal voorkomen moeten worden, denk aan autowassen op straat, uitwerpselen van honden op straat, uitloging van materialen, olie of ander afval. Tevens zijn aanvullende maatregelen nodig: hondenuitlaatzones en bijbehorende afvalbakken, een speciale autowasplek en filters. Het zichtbaar maken van de waterafvoer is tevens een communicatiemiddel.

Tabel 8 : Ontwerpmogelijkheden voor waterberging.

(1) Uitgangspunt van waterschappen is dat voor het verkrijgen en in stand houden van een veerkrachtig en gezond functionerend watersysteem bij voorkeur 10 % oppervlaktewater binnen een (nieuw in te richten) plangebied aanwezig moet zijn. Het systeem is dan kwantitatief en kwalitatief voldoende gedimensioneerd.

(2) Wadi’s zijn greppels waarbij in de bovenlaag zand en humusrijke grond zijn aangebracht.

(3) IT-riool is een drainerende buis omhuld met kiezel en geotextiel.

Het voorkomen van afwenteling van hemelwater door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden / Bergen / Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt “stand still - step forward”. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem.

Voor het realiseren van een nieuwbouwplan is het verplicht een zogenaamde watertoets-procedure te volgen. Voor het ontwerp worden een drietal ambitieniveaus geïntroduceerd. Deze ambitieniveaus zijn gekoppeld aan de mate van afkoppeling en hergebruik van hemelwater binnen een projectgebied. In alle gevallen geldt dat er een watertoets doorlopen zal worden. Dit kan resulteren in een minimaal aan te houden ambitieniveau.

Prestatieniveaus:

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

hergebruik

minimale verplichting

2.5%

5.0%

afkoppeling

/ inspanning

50%

100%

Tabel 9 : Ambitieniveaus voor hergebruik en afkoppeling van hemelwater.

Aanvulling(en):

Basis

Bij de basis wordt uitgegaan van de minimale verplichting/inspanning (wetgeving) voor het omgaan van hemelwater binnen een projectgebied. Middels de watertoets zal nagegaan worden wat de mogelijkheden zijn voor het bergen en/of infiltreren van hemelwater.

Het naar verwachting schone hemelwater afkomstig van bijvoorbeeld daken kan mogelijk (deels) hergebruikt worden. Het water wordt van het dakvlak opgevangen, gefiltreerd en is daarna te gebruiken voor toiletspoeling, wasmachine, in de tuin en voor schoonmaakwerkzaamheden. Dit zorgt tevens voor mindering van gebruik van drinkwater. De capaciteit van zo’n systeem dient zoveel mogelijk het gebruik van huishoudwater te garanderen. Indien noodzakelijk dient teruggevallen te kunnen worden op het reguliere drinkwater.

Goed

Bij de hogere ambitie wordt uitgegaan van de basis waarbij met beperkte investeringen invulling wordt gegeven aan een aantal extra aspecten waarbij hemelwater afgekoppeld of hergebruikt kan worden. De infiltratie zal voldoende zijn voor een gemiddelde regenbui, bij een hoge regenintensiteit zal het hemelwater toch op het riool geloosd moeten worden. Voor het hergebruik kan gedacht worden aan extra berging voor besproeiing van tuinen en schoonmaak (van gevels bijvoorbeeld).

Uitstekend

Bij de hoogste ambitie wordt uitgegaan van volledige afkoppeling van hemelwater binnen het projectplan. Hierbij zal in eerste instantie hergebruik (besproeiing, toiletspoeling enz.) zo veel mogelijk uitgewerkt worden waarbij het resterend hemelwater wordt geïnfiltreerd (eventueel via een berging), eventueel in samenwerking met nieuwe of bestaande bouw direct naast of in de nabijheid van de ontwikkelingslocatie.

Arbeidsomstandigheden tijdens bouw

De Arbowet eist een veilige werkomgeving

De arbeidsomstandigheden dienen bij het maken van een uitvoeringsconcept een punt van aandacht te zijn. Het ontwerp Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan) dient tijdens het ontwerpen opgesteld te worden en dus niet pas achteraf. Veiligheidsvoorzieningen kosten veel geld, vooral als het gebouw niet efficiënt kan worden gerealiseerd. Zie voor meer informatie de A-bladen van de Stichting Arbouw en de AI-bladen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Prestatieniveaus:

Conform Arbo-wetgeving.

Bepalingsmethode:

Toetsen van V&G plan ontwerp en uitvoering.

Definities

Gebouwgebonden energie: energie die nodig is om het gebouw te verwarmen, koelen, ventileren en te verlichten.

Gebruikgebonden energie: energie voor het gebruik van stekkerapparatuur, zoals computers, printers, koffieautomaat e.d.

Materiaalgebonden energie: energie die nodig is voor het produceren, transporteren, monteren en demonteren/slopen van alle bij de bouw aan te brengen materialen.

Relevante normen en documenten

Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken (Stichting Bouwkwaliteit, versie 2.0

Definitief, November 2014).

NEN 7120+C5: (2014) “Energieprestatie van gebouwen – Bepalingsmethode.”

EN 717-1: (2004 confirmed 2014) “Wood-based Panels – Determination of Formaldehyde Release – Formaldehyde emission by the chamber method.”

NEN-EN 13300: (2001/C1:2001) en ”Verven en vernissen - Watergedragen verf en verfsystemen voor wanden en plafonds binnen – Indeling.”

NEN-EN 13964: (2014) en “Verlaagde plafonds - Eisen en beproevingsmethoden”

NEN-EN 13986: (2004+A1:2015) en “Houtachtige plaatmaterialen voor gebruik in de bouw - Eigenschappen, conformiteitsbeoordeling en merken.”

NEN-EN 13999-1: (2013) en “Lijmen - Kortstondige methode voor het meten van de emissie-eigenschappen van lijmen met weinig of geen oplosmiddel na behandeling - Deel 1: Algemene procedure.”

NEN-EN 14041: (2004/C1:2006) en “Veerkrachtige vloerbedekkingen, tapijten en laminaatvloerbedekkingen - Essentiële eigenschappen

NEN-EN 14080: (2013) “Houtconstructies – Gelijmd gelamineerd hout en gelijmd massief hout.”

NEN-EN 14342: (2013) en “Houten vloeren en parket - Eigenschappen, conformiteitsbeoordeling en merken.”

SO 11890-2: (2013) “Paints and varnishes -- Determination of volatile organic compound (VOC) content - Part 2: Gas-chromatographic method.”

ISO 14025: (2006) “Environmental labels and declarations -- Type III environmental declarations -- Principles and procedures.”

ISO 14040: (2006) “Environmental management -- Life cycle assessment -- Principles and framework.”

ISO 14044: (2006) “Environmental management -- Life cycle assessment -- Requirements and guidelines.”

ISO 21930: (2007) “Sustainability in building construction -- Environmental declaration of building products.”