Parallelsessies gezondheid

A1- Hoe daglicht en uitzicht de beleving van de werkomgeving beïnvloeden
Ir. Hester Hellinga, Faculteit Bouwkunde, TU Delft

Ramen leveren een belangrijke bijdrage aan het visueel comfort in kantoorgebouwen. Niet alleen de daglichttoetreding is daarop van invloed, maar ook het uitzicht naar buiten. Om te onderzoeken welke variabelen een rol spelen bij de beoordeling van de licht- en uitzichtkwaliteit in Nederlandse kantoorgebouwen, heb ik bij acht verschillende bedrijven een vragenlijst afgenomen. Deze vragenlijst is door 558 kantoormedewerkers ingevuld.
Het onderzoek geeft inzicht in de manier waarop werknemers hun werkplek beoordelen en hoe verschillende parameters met elkaar samenhangen. De resultaten laten zien dat er een significant verband is tussen de beoordeling van de daglichttoetreding en het uitzicht naar buiten. Bovendien blijkt dat, naast het aantal collega’s waarmee de kantoorruimte wordt gedeeld, de beoordeling van de verlichting (dag- en kunstlicht) grote invloed heeft op de beoordeling van de kwaliteit van de werkplek. Of het uitzicht ook de waargenomen kwaliteit beïnvloedt, hangt af van een aantal factoren die in de presentatie zullen worden toegelicht.

A2- Energie-efficiëntie en een goed binnenmilieu: een succesvolle combinatie?
Ir. Gert Harm ten Bolscher, DWA installatie- en energieadvies

Internationaal literatuuronderzoek heeft aangetoond dat energie-efficiënte maatregelen in gebouwen vaak een positieve invloed hebben op het welbevinden van de gebruikers. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek uitgevoerd om praktisch inzicht te krijgen in de samenhang tussen energiebesparende maatregelen en de kwaliteit van het binnenmilieu in schoolgebouwen.
Voor het onderzoek zijn tien schoolgebouwen geselecteerd, waarvan bekend is dat dit energiezuinige gebouwen zijn en waarvan verwacht wordt dat de kwaliteit van het binnenmilieu voldoende is. Doel van het onderzoek was om op basis van meetgegevens aan te tonen dat energiezuinigheid en een goed binnenmilieu daadwerkelijk samen kunnen gaan. Tegelijkertijd zijn ook de succes- en de faalfactoren geïnventariseerd. Op basis van het onderzoek zijn vier aspecten gedefinieerd die de grondslag vormen voor het ontwerpen en in stand houden van een energiezuinig pand met een goed binnenmilieu.

A3- Groen voor Lucht
Ing. Barry de Vries, WUR Alterra

De laatste jaren heeft het nationaal beleid zich vanuit verschillende overwegingen sterk gericht op het compacter bouwen in en om steden. Een beperking van het ruimtebeslag zou leiden tot het behoud van het landelijk gebied en zorgen voor meer vitaliteit. De keerzijde hiervan is een compactere stad waarin groene en blauwe ruimte wordt opgeofferd, en daarmee dus ook een deel van de leefbaarheid van de stad. Het is immers al jaren bekend dat groen een bijdrage levert aan een leefbare stad, waarbij luchtkwaliteit een van de aspecten is. De wijze waarop groen de luchtkwaliteit beïnvloedt is echter zeer complex, waarbij verschillende, soms tegengestelde, principes een rol spelen. Deze presentatie wil helderheid verschaffen in deze ingewikkelde materie. Eerst wordt de relatie tussen groen en luchtkwaliteit uiteengezet, en vervolgens wordt aangegeven wat de betekenis is voor het gebouw en zijn omgeving.

Parallelsessies functioneel/akoestiek

B1- Installatiegeluid en Bouwbesluit
Ing. Huub Neuteboom, DGMR

Installatiegeluid is de laatste tijd geregeld in het nieuws. Teleurstellende prestaties treden op door een drang naar een steeds hoger netto vloeroppervlak en lichtere bouwmethoden.  Door de eisen aan energiezuinigheid krijgt de installatiecomponent een steeds zwaardere rol. Dit vraagt om evolutie van apparaten en installatiewijze. Maar door de prijsdruk in de markt is hiervoor nauwelijks budgettaire ruimte. Geluideisen (zowel in de woningbouw als in de utiliteitsbouw) worden vaak niet gehaald, zoals blijkt uit recent onderzoek van het Ministerie voor Infrastructuur en Milieu.
Daarnaast wil het voldoen aan eisen niet zeggen dat er geen hinderklachten zijn. 30 dB(A) in de nacht kan tot klachten leiden, mede afhankelijk van het geluidkarakter (tonaal, impulsachtig, laagfrequent). Tevens is geluid van eigen installaties in de woningbouw (nog) niet gelimiteerd.
Toch is installatiegeluid te beheersen door eisen te stellen aan de toe te passen apparaten en hun appendages en de inbouwwijze. De (verouderde) NPR’s geven daarvoor soms onvoldoende handreiking voor de installateurs, hoewel de principes voor geluidarm installeren natuurlijk universeel zijn. De mogelijke ontwikkelingen qua Bouwbesluit worden genoemd in het licht van enkele typische praktijkgevallen. Zijn we met het nieuwe Bouwbesluit op de goede weg of moeten er meer zaken worden geregeld?

B2- Akoestiek in sportzalen
Ir. Jeroen Vugts, LBP/Sight

De maatgevende parameter die wordt gebruikt voor het beoordelen van het akoestisch comfort in sportzalen is de nagalmtijd. Juist deze nagalmtijd blijkt nu een lastige parameter om de akoestische kwaliteit van een sportzaal mee te beschrijven. Zo is de nagalmtijd in het ontwerpstadium lastig te berekenen en blijkt deze in praktijkmetingen beïnvloed te worden door storende bijverschijnselen zoals flutterecho’s.
Voor het gebruik van sportzalen als instructieruimte is het beperken van galm bovendien niet zozeer de eerste vereiste. Het gaat in principe om het beheersen van het geluidniveau in de zaal.  Weliswaar hangt dit geluidniveau naast broneigenschappen sterk af van de hoeveelheid geluidabsorptie in de sportzaal, maar het verband tussen geluidabsorptie en nagalmtijd blijkt in de praktijk niet altijd op te gaan.
Op basis van deze bevindingen is er de laatste tijd dan ook een discussie gaande onder akoestici of de nagalmtijd als parameter voor de karakterisering van de akoestische kwaliteit van een sportzaal wel de meest voor de hand liggende is. Daarbij lijkt het wenselijk om naast de nagalmtijd ook andere zaalakoestische parameters mee te nemen in de beoordeling van het akoestisch comfort.

B3- Nieuwe richtlijnen van de Rgd voor de akoestiek in moderne kantoorconcepten
ir. Sara Persoon, M+P – raadgevende Ingenieurs

In de hedendaagse kantoorcultuur is een tendens ingezet naar een meer open en interactieve kantooromgeving. Het Nieuwe Werken vormt daarbij een belangrijke drijfveer. De nieuwe ICT-mogelijkheden worden ingezet om de werkplek aan te sluiten bij de behoefte van de kenniswerker. De werkplek kan overal zijn: thuis, onderweg, maar ook nog steeds op kantoor. De eigen vertrouwde kantoorplek behoort in de meeste gevallen echter tot het verleden.
De publicatie “Bouwfysische kwaliteit Rijkshuisvesting, Wettelijke eisen en Rgd-richtlijnen” van de Rijksgebouwendienst uit 1999, is jarenlang een goed naslagwerk geweest voor de adviespraktijk. Door de veranderende kantoorconcepten zijn veranderende eisen en richtlijnen van toepassing. Met het samenstellen van het Handboek Bouwfysica is door de NVBV het initiatief genomen tot modernisering en (her)formulering van de bestaande eisen. In de lezing komen de nieuwe eisen voor akoestiek aan bod. Als voorbeeld wordt de rol van de richtlijnen in toekomstige projecten uitgelicht, zowel in de ontwerpfase (rekenen) als in de praktijkfase (meten).

Parallelsessies comfortabel

C1- House of Tomorrow Today
Prof. dr. ir. Jos Lichtenberg, TU Eindhoven

De vraag is of in het streven om tot energiezuinige, -neutrale of zelfs -leverende woningen te komen, de technologie niet te dominant is geworden?  Het minimaliseren van ventilatie, daglicht en zicht naar buiten kan tot minder leefbare en ongezonde woningen leiden.
Active House, een Deense visie, reageert daarop en accepteert een extra energieverlies door het vergrote glasoppervlak en extra ventilatie. Door o.a. gebruik te maken van meet- en regeltechniek (in de auto al lang geaccepteerd) wordt het extra verlies beheerst. Het House of Tomorrow Today is een binnenkort in Heeze-Leende te realiseren ActiveHouse demo- en proefproject. Door extra veel zonne-energie te oogsten mag er bij het gebruik van de woning weer wat worden gemorst. Dat komt in de vorm van lucht, licht en zicht het comfort en de gezondheid ten goede, terwijl desondanks per saldo een energieoverschot resteert. Deze ogenschijnlijk kostbare benadering blijkt door  toepassing van Slimbouwen, een nieuwe economische kijk en te verwachten ontwikkelingen, toch heel kansrijk te zijn.

C2- Onderzoek naar de gezondheid, productiviteit en duurzaamheid van rijkskantoren.
Ir. Vivian Timmermans, DHV

Het duurzaam bouwen wordt steeds meer gemeengoed en de mogelijkheden om extra investeringen terug te verdienen, door bijvoorbeeld energiebesparing, zijn bekend. Voor de meeste bedrijven vormt echter niet de huisvesting, maar de salarisbetaling aan medewerkers de grootste kostenpost. Op dit vlak is het besparingspotentieel nog onderbelicht.
DHV heeft in opdracht van de Rijksgebouwendienst een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om duurzaamheid bevorderende maatregelen terug te verdienen met een hogere productiviteit en een lager ziekteverzuim van werknemers. Ten behoeve van dit onderzoek is de definitie van levensduurkosten uitgebreid met de component ‘verloren salariskosten’.
Door DHV is berekend wat de invloed is van (comfort)maatregelen op de gezondheid en de productiviteit van werknemers in tien bestaande rijkskantoren. De invloed van de maatregelen op de duurzaamheidscore en het energieverbruik van de kantoren wordt hierbij inzichtelijk gemaakt.

C3- Persoonlijke klimatisering: mogelijkheid tot energiebesparing en verhoging van comfort?
ir. Linda van Oeffelen, TNO

Ieder individu heeft eigen wensen ten aanzien van het binnenklimaat en ook voor iedere taak zijn de eisen aan het binnenklimaat verschillend. Vooral in open en semi-open kantoren zijn er relatief veel klachten over het binnenklimaat. Om in te kunnen spelen op de persoonlijke voorkeuren van de gebruikers kunnen lokale, persoonlijk instelbare maatregelen op het gebied van temperatuurregeling, ventilatie en verlichting uitkomst bieden. Doordat op deze manier alleen de werkplekken die in gebruik zijn, worden geklimatiseerd tot het gewenste niveau, en de eisen aan het algemene binnenklimaat minder streng kunnen zijn, kan tevens energie worden bespaard. Dit geldt vooral voor gebouwen met een lage bezettingsgraad. In de presentatie zal onder andere worden ingegaan op verschillende concepten voor persoonlijke klimatisering en op een laboratoriumstudie die is uitgevoerd naar een ‘plug-and-play’ systeem voor persoonlijke verwarming in kantoorgebouwen.

Parallelsessies leefbaar / akoestiek

D1- Bouwakoestische prestaties van meerlaagse membraansystemen
Dr.ir. Lieven De Geetere, WTCB, afd. akoestiek

Membranen worden in de hedendaagse architectuur geregeld toegepast als dakconstructie bij grote overspanningen, als overkapping van binnenplaatsen, in tenten en in tijdelijke constructies. Ook kunnen ze worden aangewend als binnenbekleding, bijvoorbeeld in spanplafonds. Hun laag gewicht kan als grootste constructieve voordeel worden gezien, maar is tevens ook hun belangrijkste akoestische nadeel indien we de geluidisolerende prestaties beschouwen.
In deze lezing wordt dieper ingegaan op de akoestische mogelijkheden van membranen. Zowel hun vermogen om te isoleren t.a.v. luchtgeluiden en regenlawaai als hun geluidabsorberende eigenschappen worden bestudeerd. Eveneens wordt besproken hoe deze eigenschappen kunnen verbeterd worden door deze te combineren met andere materialen (poreuze of elastische lagen) in meerlaagse systemen. Deze parameterstudies zijn gebaseerd op een meerlaags rekenmodel waarin 4 membraantypes kunnen worden gesimuleerd. Deze rekenresultaten worden vergeleken met een groot aantal lucht- en regengeluidisolatiemetingen op enkelvoudige en meerlaagse membraansystemen. Uiteindelijk wordt samengevat welke strategieën leiden tot verbeterde systemen.

D2- Akoestische compensatie bij Stad & Milieu
Ir.  Jan Hardlooper, Cauberg-Huygen

Hoe kunnen we op locaties met een te hoge milieubelasting toch leefbare plannen ontwikkelen? Deze vraag staat centraal bij een zogenaamde Stad & Milieu benadering. In een notendop komt deze benadering neer op het afwijken van bestaande grenswaarden voor geluid, lucht of bodem onder voorwaarde dat compenserende maatregelen worden getroffen. Netto ligt er dan, ondanks een afwijking van het ideaal plaatje, een goed plan. Een Stad & Milieubenadering is nu meer uitzondering dan regel, maar als de beleidsvoornemens van VROM – naar nu de verwachting is – worden doorgezet door I&M is het voor hoog geluidbelaste locaties de enige weg om überhaupt tot een plan te komen. Traditionele oplossingen als dove gevels hebben daarmee hun langste tijd gehad. De lezing gaat in op verschillende principes voor compensatie en beweegt zich op het grensvlak van bouwakoestiek, het Bouwbesluit, geluidvoortplanting en beleving. Het doel is een handvat te geven waarmee verantwoorde oplossingen kunnen worden ontwikkeld.

D3- Het voorkomen van windgeluid bij gebouwen
Ir. Marcel van Uffelen, Peutz

Zo nu en dan worden argeloze stadsbewoners getrakteerd op heftige tonale geluiden, zoals gefluit of laagfrequente “eolische” tonen. Die blijken dan afkomstig te zijn van bijvoorbeeld hoge gebouwen, of van looproosters van galerijen of van treinsporen. Deze heftige geluiden zijn vaak onverwacht. Ze geven vervolgens aanleiding tot onderzoek achteraf en leiden vaak tot arbeidsintensieve oplossingen. Hoe is dit alles te voorkomen?
Langzaam maar zeker zijn er enige “do’s en do-not’s” bekend om dit soort geluiden te voorkomen. Maar in speciale situaties kunnen specifieke metingen in een laboratorium wenselijk zijn aan bijvoorbeeld mock-ups van gevelelementen, al dan niet met roosters.
Met deze metingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een flinke straal akoestisch gedempte “stille lucht”, worden de mock-ups onder verschillende hoeken en bij verschillende snelheden aangeblazen. Voor grotere objecten is de windtunnel een mogelijk alternatief. Op deze wijze kunnen problemen vaak van te voren worden gesignaleerd en voorkomen. Enkele voorbeelden zullen worden getoond.

Parallelsessies duurzaam

E1- NEN EPG, wat kun je ermee ?
ir. Tom Haartsen, CDC

De nieuwe energieprestatienorm voor gebouwen zal binnen afzienbare tijd de bestaande bepalingsmethoden voor de EPC (NEN 5128, NEN 2916) vervangen en de nieuwe onderlegger worden voor de bepalingsmethode voor het energielabel voor bestaande woningen en gebouwen (ISSO 75.1 en ISSO 82.1). De nieuwe norm uniformeert de berekening van het energiegebruik voor de verschillende instrumenten en stemt de methodiek af op de Europese EPBD-normen.
De wijzigingen worden kort beschreven.Vervolgens schetst de voordracht wat je met de nieuwe norm kunt, zoals het bepalen van:
– een uniforme energieprestatie-indicator voor alle instrumenten (energiegebruik per m2);
– toegesneden handelingsindicatoren (bijvoorbeeld EPC of EI);
– andere (hulp)indicatoren bij het ontwerp (bijvoorbeeld schilindicator, aandeel duurzame energie, …).
In deze voordracht ligt de nadruk op de toelichting van de functionaliteit van de handelingsindicatoren in samenhang met de uniforme energieprestatie-indicator.

E2- De 0-impact wijk: verwarmen effectiever dan isoleren?
Ir. Ronald Rovers, Hogeschool Zuyd

The need to restructure our society into a sustainable society has been recognised by many, though a clear direction and ambition in this process usually fails. At the Research Institute for the Built Environment of Tomorrow, RiBuilT, the definition of a sustainable society has been summarised as the ´Concept of O´: O for a circular approach of resource management, and 0 (zero) for 0-impacts of our activities; 0-energy, 0-materials, 0-water, 0-landuse and 0-air (pollution). In order to apply this approach to existing urban environments, the Urban Harvest+ approach was developed. This paper will analyse the first test results of the actual implementation of this approach on the Dutch district of Kerkrade West.
The case study Kerkrade West shows that even when the production of resources is maximized and the demand  will be drastically reduced, it will still be hard to achieve the 0-impact state. We need new and more innovative solutions to actually make it happen. The Urban Harvest+ approach , introducing a 5 step strategy, and principles for optimization between resources, using exergy and Embodied Land as decisive parameters , proved to be a straight forward approach in getting closer to the zero-impact situation. It also clarified the interaction between resources (competition) and made clear that resource cycles should never be considered on their own, but always in relation to each other to avoid sub-optimization. It provided indications that heating might be preferred before insulation when both are based on renewable sources. Many other questions where raised and indicated need for further research, but we believe Urban Harvest-plus represents a strong basis to depart from.

E3- De invloed van bewonersgedrag op zeer energiezuinige woningen
Ir. Antonin van de Bree, Ecofys

De eis aan de energieprestatie van een nieuwbouwwoning is per 1 januari 2011 aangescherpt tot 0,6. De aandacht voor nog verdergaande aanscherping van de eis aan de energieprestatie is groot. Plannen voor passief huizen en energieneutrale woningen of varianten daarvan floreren. Rekeninstrumenten genoeg om het gelijk ervan aan te tonen met de meest innovatieve oplossingen. Maar hoe zit het met de bewoner? Welke rol speelt hij/zij in de uitkomsten? De huidige rekeninstrumenten fixeren het bewonersgedrag op basis van onderzoeksresultaten uit het verleden. Is dat terecht voor zeer energiezuinige nieuwe woningen? Naarmate de EPc lager wordt, neemt de relatieve invloed van het bewonersgedrag hierop toe. De wijze waarop de invloed van het bewonersgedrag kan worden meegenomen, wordt besproken. Hoe groot deze invloed is, wordt geïllustreerd aan de hand van een aantal voorbeelden. Daarbij gaat het niet alleen om de invloed op gebouwniveau.

Parallelsessies veilig

F1- Brand begrensd: weerstand tegen  branddoorslag en brandoverslag in theorie en praktijk
ir. Saskia Hegeman, Falck AVD/Rgd

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, veelal gerealiseerd met behulp van fysieke scheidingsconstructies, geeft invulling aan het principe van brand- en rookcompartimentering. Door het uitbreidingsgebied van brand (en ook rook) tot een maximum te beperken, wordt vluchten ondersteund en schade beperkt.
Bouwbesluit en NEN-normen geven voorschriften, test- en berekeningsmethodieken, maar de praktijk blijkt nogal eens weerbarstig. Niet alleen maakt dat de toepassing van, en controle op deze brandveiligheidsvoorzieningen soms lastig, het veroorzaakt ook veel discussie en onrust over veiligheid.
Tegen welke problemen loopt de Rijksgebouwendienst aan? Wat is de zin en onzin van de discussie rond brandveiligheid van passiefhuizen (en verbeterde isolatie in algemene zin)? En welke ontwikkelingen in het verleden stonden aan de wieg van de huidige problematiek? Uiteraard richten we ook een blik op de toekomst, waarin andere testmethoden en wellicht zelfs een fundamenteel andere benadering van brandcompartimentering een rol gaan spelen.

F2-  Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van brandwerende en rookwerende doorvoeringen
Ir. Carolien Boot-Dijkhuis, Adviesburo Nieman

De ontwikkelingen op het gebied van regelgeving staan niet stil. Denk daarbij aan het nieuwe Bouwbesluit 2012 en hierin aangestuurde normen. De wijzigingen in de regelgeving hebben consequenties op allerlei vlak; ook ten aanzien van doorvoeren van leidingen door brand- en/of rookwerende constructies. Een van de belangrijkste is mogelijk wel de wijziging in de bepaling van de rookwerendheid bij doorvoeringen.  Over deze en andere wijzigingen zal ik u bijpraten in deze lezing.
Gelukkig staan de ontwikkelingen aan leverancierszijde ook niet stil. Leveranciers spelen steeds opnieuw in op de wijzigende markt. Enkele nieuwe producten passeren in deze lezing de revue.
Onder nieuwe ontwikkelingen kunnen ook ‘nieuwe inzichten’ worden geschaard. In de praktijk blijkt dat leidingen, kanalen en kabels nog lang niet altijd correct brand- of rookwerend worden doorgevoerd. Met enkele treffende praktijkvoorbeelden wil ik u de nieuwe inzichten laten zien.

F3- Brandveiligheid van parkeergarages
Ing. Johan Koudijs, DGMR

Naar aanleiding van recente branden in parkeergarages is er een discussie opgelaaid over de brandveiligheid van parkeergarages. De brand in parkeergarage de Appelaar heeft zelfs geleid tot Kamervragen: of er geen sprinkler moet worden toegepast in parkeergarages? De media doen ook vrolijk mee. Op 1 april jl. kopt het dagblad van het noorden: Parkeergarages bloedlink bij brand. Op een congres van de IFE hadden collega-deskundigen geroepen dat de brandveiligheid van parkeergarages niet deugt. Dan moet er dus wel wat aan de hand zijn… toch?
In plaats van een bespreking van het zoveelste CFD-onderzoek wil ik het daarom nu eens hebben over de stand van zaken in Nederland voor deze gebouwen. Welke veiligheidsniveaus kennen we en hoe zijn die tot stand gekomen? Wat blijkt uit de meest recente buitenlandse onderzoeken? Tot slot wil ik proberen antwoord te geven op de vraag: hoe nu verder met de parkeergarages in Nederland? Toch weer gewoon bouwkundig compartimenteren?